NOTULEN VAN DE GEMEENTERAAD

 

Gemeente Bertem

 

Zitting van 23 februari 2016

Van 20.03 uur tot 21.38 uur

 

Aanwezig:

Voorzitter:

Albert Mees

Burgemeester:

Joël Vander Elst

Schepenen:

Marc Morris, Greet Goossens, Jan Buysse en Tom Philips

Schepen met raadgevende stem:

Eddy Vranckx

Gemeenteraadsleden:

Ludo Croonenberghs, Leonard Vranckx, Kristien Van Essche, Yvette Laes, Roos De Backer, Herman Ginis, Sonia Stiasteny, Joery Verhoeven, Jan De Keyzer, Joris Fonteyn, Ken Geyns, Karin Baudemprez, Wouter Fock en Roger De Muylder

Gemeentesecretaris:

Dirk Stoffelen

 

Verontschuldigd:

Gemeenteraadslid:

Anja De Herdt

 


Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

ZITTINGEN GR. GOEDKEURING NOTULEN VORIGE ZITTING.

 

Juridische gronden

  • Artikel 33 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
    De gemeenteraad keurt, mits eventuele aanpassingen, de notulen van de vorige raadszitting goed.

 

 

Bijlagen

  • Notulen van de zitting van 26 januari 2016.

 

Besluit

eenparig

 

Artikel 1:

De raad keurt de notulen van de zitting van 26 januari 2016 goed.

 

 

 

Publicatiedatum: 20/02/2019
Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

BESTUURLIJK TOEZICHT. GOEDKEURING AANGEPAST STRATEGISCH MEERJARENPLAN 2014-2019 OCMW BERTEM.

 

Voorgeschiedenis

  • Besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 1 december 2015 over de aanpassing van het strategisch meerjarenplan 2014-2019 bij het budget 2016 goedgekeurd door de gemeenteraad op 18 december 2015.
  • Besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 2 februari 2016 waarbij het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 1 december 2015 wordt ingetrokken en waarbij de verbeterde aanpassing van het strategisch meerjarenplan 2014-2019 wordt goedgekeurd.

 

Feiten en context

  • De financiële dienst heeft in samenspraak met de OCMW-raad en het managementteam een aangepast strategisch meerjarenplan opgesteld voor de periode 2014-2019 in het kader van de opmaak van het budget 2016.

 

Juridische gronden

  • Artikel 148 van het OCMW-decreet
    Het meerjarenplan en de aanpassingen ervan worden aan de gemeente bezorgd. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het meerjarenplan of de aanpassingen ervan toe op de vergadering van de gemeenteraad waarop het geagendeerd is. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn geen deel uitmaakt van de gemeenteraad, wordt hij ten minste acht dagen voor de dag van die vergadering, door de voorzitter van de gemeenteraad daarvan verwittigd.
    De gemeenteraad neemt een beslissing binnen een termijn van vijftig dagen die ingaat op de dag nadat de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de gemeente is ingekomen. De gemeente bezorgt haar beslissing aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk de laatste dag van die termijn. Als binnen die termijn geen beslissing aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is bezorgd, wordt de gemeenteraad geacht aan het meerjarenplan of de aanpassingen ervan zijn goedkeuring te hebben verleend.
  • Besluit van de Vlaamse regering van 25 juni 2010 betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

 

Adviezen

  • Gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van 1 februari 2016 over het aangepaste strategisch meerjarenplan 2014-2019 van OCMW Bertem

 

 

Bijlagen

  • Strategisch meerjarenplan 2014-2019.

 

Besluit

eenparig

 

Artikel 1:

De gemeenteraad keurt het aangepast strategisch meerjarenplan 2014-2019 van het OCMW Bertem goed.

 

 

 

Publicatiedatum: 20/02/2019
Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

BESTUURLIJK TOEZICHT. KENNISNAME BUDGET OCMW 2016.

 

Voorgeschiedenis

         Raadsbesluit van 23 februari 2016 over de goedkeuring van het verbeterde aangepast strategisch meerjarenplan 2014-2019 OCMW Bertem.

 

Feiten en context

  • De financiële dienst heeft in samenspraak met de OCMW-raad en het managementteam een budgetvoorstel voor het boekjaar 2016 opgesteld.

 

Juridische gronden

  • Artikel 150 van het OCMW-decreet
    Het budget wordt aan de gemeente bezorgd. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het budget toe op de vergadering van de gemeenteraad. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn geen deel uitmaakt van de gemeenteraad, wordt hij ten minste acht dagen voor de dag van die vergadering door de voorzitter van de gemeenteraad daarvan verwittigd.
    Als een budget past binnen het meerjarenplan, neemt de gemeenteraad er kennis van. Als een budget niet past binnen het meerjarenplan, spreekt de gemeenteraad zich uit over de goedkeuring van het budget.
  • Omzendbrief BB 2015/2 met instructies over het aanpassen van de meerjarenplannen en budgetten 2016 van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest.

 

Adviezen

         Gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van 1 februari 2016 over het ontwerp van budget 2016 van het OCMW Bertem.

 

Argumentatie

De gemeenteraad neemt kennis van het budget van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als het past binnen het meerjarenplan.

 

 

Bijlagen

  • Budget OCMW_2016
  • Toelichting bij het budget OCMW van 2016

 

Besluit

 

Artikel 1:

De gemeenteraad neemt kennis van het budget 2016 van het OCMW met een batig resultaat op kasbasis van 291 212 euro en een positieve autofinancieringsmarge van 1150 euro. De gemeentelijke toelage aan het OCMW bedraagt 765 000 euro.

 

 

 

Publicatiedatum: 20/02/2019
Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

INTERGEMEENTELIJKE SAMENWERKING. WIJZIGING GEMEENTELIJKE VERTEGENWOORDIGER PLAATSELIJK WERKGELEGENHEIDSAGENTSCHAP VAN MIDDEN-BRABANT VZW.

 

Voorgeschiedenis

         Brief van PWA Midden-Brabant van 31 januari 2013 over de aanduiding van de vertegenwoordigers door de nieuwe gemeenteraad

         Collegebesluit van 4 januari 2016 over de verdeling van de bevoegdheden van de leden van het college van burgemeester en schepenen.

 

Feiten en context

         Een Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap (PWA) is een vzw, opgericht door een of meerdere gemeenten, die (langdurig) werklozen tewerkstelt buiten het reguliere arbeidscircuit.

         De gemeenten Bertem, Huldenberg, Kortenberg en Tervuren richtten in april 1995 het PWA Midden-Brabant op.

         Schepen Tom Philips heeft als bevoegdheden o.a. 'tewerkstelling' en 'PWA'.

 

Juridische gronden

         Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen
Deze wet regelt o.a. de samenstelling, bevoegdheden en werking van de bestuursorganen van een vzw.

         Statuten van het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap van Midden-Brabant, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 juni 1995
De gemeenteraad van Bertem duidt 2 vertegenwoordigers aan, één uit de meerderheidspartijen en één uit de minderheidspartijen. De vertegenwoordigers worden aangeduid door de gemeenteraad, maar moeten er niet noodzakelijk deel van uitmaken.

         Artikel 35 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
Er wordt geheim gestemd over het aanwijzen van de leden van de gemeentelijke bestuursorganen en van de vertegenwoordigers van de gemeente in overlegorganen en in de organen van andere rechtspersonen en feitelijke verenigingen.

         Artikel 43 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
De gemeentelijke bevoegdheden, vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zijn aan de gemeenteraad toegewezen en kunnen niet worden toevertrouwd aan het college van burgemeester en schepenen.

 

Besluit

Na geheime stemming:

20 stemmen voor

 

Artikel 1:

De heer Tom Philips, schepen, wordt aangeduid als vertegenwoordiger van de meerderheidspartijen van de gemeente Bertem in de algemene vergadering van het PWA Midden-Brabant vzw.

 

 

 

Publicatiedatum: 20/02/2019
Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

INTERGEMEENTELIJKE SAMENWERKING. WIJZIGING VERTEGENWOORDIGER BEHEERSCOMITÉ GEMEENSCHAPPELIJKE INTERNE PREVENTIEDIENST (GD-PBW) INTERLEUVEN.

 

Voorgeschiedenis

  • Brief van Interleuven van 7 januari 2013 over het Beheerscomité gemeenschappelijke interne preventiedienst (GD-PBW).
  • Collegebesluit van 4 januari 2016 over de verdeling van de bevoegdheden van de leden van het college van burgemeester en schepenen.

 

Feiten en context

  • In de schoot van Interleuven werd de Gemeenschappelijke Interne Preventiedienst opgericht. In het kader van de welzijnswet is de gemeente Bertem verplicht om bij een preventiedienst aan te sluiten. Deze zorgt voor de nodige ondersteuning bij de implementatie van een aantal delen van deze welzijnswet.
  • De gemeenschappelijke dienst wordt beheerd door een beheerscomité. Het is bevoegd voor het financiële beheer en de administratieve organisatie ervan.
  • Het beheerscomité omvat:
    • de personen belast met het dagelijks beheer van het gemeentebestuur, het OCMW en de intercommunale die een beroep doen op de GD-PBW
    • de vertegenwoordigers van de werknemers.
  • Burgemeester Joël Vander Elst heeft als bevoegdheden o.a. 'personeel' en 'preventie, bescherming en welzijn op het werk'.

 

Juridische gronden

  • Artikel 2.4. van het koninklijk besluit van 3 maart 1999 waarbij vergund wordt een gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk op te richten
  • Artikel 35 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
    Er wordt geheim gestemd over het aanwijzen van de leden van de gemeentelijke bestuursorganen en van de vertegenwoordigers van de gemeente in overlegorganen en in de organen van andere rechtspersonen en feitelijke verenigingen.
  • Artikel 43 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
    De gemeentelijke bevoegdheden, vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zijn aan de gemeenteraad toegewezen en kunnen niet worden toevertrouwd aan het college van burgemeester en schepenen.

 

Adviezen

  • Interleuven dringt erop aan om het mandaat in het beheerscomité GD-PBW toe te kennen aan de burgemeester of een schepen met de bevoegdheid welzijn, arbeidsveiligheid en gezondheid.

 

Besluit

Na geheime stemming:

20 stemmen voor

 

Artikel 1:

De heer Joël Vander Elst, burgemeester, wordt aangeduid als afgevaardigde van de gemeente Bertem in het beheerscomité van de gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk (GD-PBW).

 

 

 

Publicatiedatum: 20/02/2019
Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENING. VASTSTELLING GEMEENTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENING BETREFFENDE HET AANLEGGEN VAN PARKEERPLAATSEN EN FIETSENSTALLINGEN BUITEN DE OPENBARE WEG.

 

Feiten en context

  • Door de noodzakelijke verdichting van de woonkernen in onze gemeente bestaat de invulling uit kleinere entiteiten en neemt in bepaalde zones het oprichten van meergezinswoningen gestaag toe waardoor de parkeerdruk op het openbaar domein sterk vergroot.
  • De gemeente Bertem beschikt momenteel niet over een stedenbouwkundige verordening inzake parkeren buiten de openbare weg noch over een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat voor het gehele grondgebied van de gemeente geldt en waarin een parkeernorm buiten de openbare weg wordt opgelegd.
  • Het college van burgemeester en schepenen heeft een ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening betreffende het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg voor het ganse grondgebied opgemaakt.

 

Juridische gronden

  • Art. 2.3.2. §2. van de Vlaamse codex ruimtelijke ordening

De gemeenteraad kan stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor de materie omschreven in artikel 2.3.1[, in artikel 4.2.5 en in artikel 4.4.1, §3, tweede lid], voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor een deel waarvan hij de grenzen bepaalt met naleving van de door de Vlaamse regering en de provincieraad vastgestelde stedenbouwkundige verordeningen.

Het college van burgemeester en schepenen is belast met het opmaken van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en neemt de nodige maatregelen tot opmaak.

Het college van burgemeester en schepenen legt het ontwerp van stedenbouwkundige verordening voor advies voor aan [het departement] en aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. [Het departement] geeft bindend advies over de verenigbaarheid met gewestelijke verordeningen. De adviezen worden binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier naar het college van burgemeester en schepenen gestuurd. Wanneer er geen advies is verleend binnen deze termijn, mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan.

De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening onmiddellijk na de definitieve vaststelling aan de deputatie ter goedkeuring toegezonden bij aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

  • Besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijk stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid.
  • Artikel 42 §3 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
    De gemeenteraad stelt de gemeentelijke reglementen vast. Onverminderd de federale wetgeving in verband met de bevoegdheid van de gemeenteraad tot het vaststellen van politieverordeningen, kunnen de reglementen onder meer betrekking hebben op het gemeentelijk beleid, de gemeentelijke belastingen en retributies en op het inwendige bestuur van de gemeente.
  • Artikel 43, §2, 2° van het gemeentedecreet van 15 juli 2005
    De volgende bevoegdheden kunnen niet aan het college van burgemeester en schepenen worden toevertrouwd: (...) het vaststellen van gemeentelijke reglementen en het bepalen van straffen en administratieve sancties op de overtreding van die reglementen.

 

Adviezen

  • De GECORO heeft op 3 november 2015 een gunstig advies verleend aan het ontwerp van stedenbouwkundige verordening betreffende het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg.
  • Ruimte Vlaanderen heeft op 6 januari 2016 volgend voorwaardelijk gunstig advies verleend.

"In antwoord op uw bovenvernoemd schrijven en overeenkomstig artikel 2.3.2 §2 van de Vlaamse codex ruimtelijke ordening, deel ik u mee dat bovenvernoemde verordening vanuit het departement GUNSTIG geadviseerd wordt: de verordening bevat geen strijdigheid met een gewestelijke verordening.

Graag wil ik toch volgende opmerkingen formuleren betreffende de toepassing van deze verordening:

- Artikel 1: niet alle werken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning nodig is, zijn onderworpen aan deze verordening (o.a. zoals in artikel 4.2.1 7° of 8° van bovenvernoemde codex). Waarom werd deze beperking ingevoerd?

- Artikel 2 - 1°. "de bestaande parkeerplaats of fietsenstalling mag niet al in aanmerking genomen zijn voor het verkrijgen van een andere vergunning". Betekent dit concreet dat de parkeerplaatsen aangegeven zijn op de goedgekeurde bouwplannen? Of moet er expliciet in de vergunning melding van gemaakt zijn?

- Artikel 2 - 17°: vergunning: enkel de stedenbouwkundige vergunning wordt vermeld, in de vergunningsplichtige werken (artikel 2 - 18°) wordt via de bepalingen van de codex de link gelegd naar de 'meldingen'. In artikel 4 daarentegen worden de werken opgesomd waarvoor parkeerplaatsen en fietsenstallingen moeten worden aangelegd. Sommige van deze werken zijn meldingsplichtig. Dit betekent dat ook voor meldingen de verordening van toepassing is. Indien een aanvraag voor melding (bvb verbouwen van een woning in woongebied) niet in overeenstemming is met deze verordening, de melding niet correct is gebeurd en de werken eventueel kunnen worden stilgelegd. Voor de toepassing van deze verordening is het aan te bevelen de relatie tussen de verordening en de melding duidelijker te maken in deze verordening (cfr. artikel 3 de verhouding met de BPA's of RUP's werden gelegd).

- Artikel 2 - 19°: gelet op de hoogteverschillen in de gemeente: wanneer wordt een deels ondergrondse (bewoonbare) ruimte meegerekend als vloeroppervlakte?"

  • De mobiliteitsraad heeft op 11 januari 2016 een voorwaardelijk gunstig advies verleend.
    "Volgende correcties op het ontwerp van verordening worden vermeld:
    • Titel: 2x het woord betreffende - 1x wegdoen
    • Art. 6 2°: bouwproject i.p.v. project
    • Art. 6 2°: goede plaatselijke ruimtelijke ordening
    • Art. 6 3°: personen met een beperking i.p.v. handicap
    • Screenen tekst op uniformiteit gebruik lang/breed.

De mobiliteitsraad geeft een positief advies betreffende de parkeerverordening mits het aanbrengen van de kleine correcties. Het is een eerste kapstok om afdwingbare afspraken te hebben rond verplichtte oprit én om parkeerdruk op openbare ruimte in te perken."

Beoordeling advies mobiliteitsraad

Personen met een beperking en personen met een handicap.

  • Personen met een beperking is een veel ruimer begrip dan personen met een handicap. Het zijn enkel de personen met een handicap die een erkenning hebben en die gemachtigd zijn een parkeerkaart aan te vragen en te gebruiken op de voorbehouden plaatsen. Personen met een beperking zijn niet allemaal in het bezit van een parkeerkaart.

Daarom is het college van oordeel dat het ontwerpbesluit op dit punt niet kan aangepast worden.

Het volledige document werd gescreend en de begrippen lengte en breedte werden correct gebruikt zodat ook hier geen aanpassingen nodig zijn.

  • De overige opmerkingen van de adviezen werden opgenomen in het ontwerp van verordening.

 

Argumentatie

Het schepencollege wenst normen op te leggen inzake parkeren voor woningbouwprojecten om te voorkomen dat de parkeerdruk van private projecten wordt afgewenteld op het openbaar domein.

 

Het is wenselijk om voor het volledige grondgebied te beschikken over een geschikt instrument dat juridisch afdwingbaar is om deze materie beter te sturen. Een stedenbouwkundige verordening is het instrument bij uitstek om deze doelstelling te bereiken.

 

De toepassing van deze verordening zal bijdragen tot een verhoogde leefbaarheid en mobiliteit in de dorpskernen.

 

De beschikbaarheid van parkeerplaatsen onder de vermelde voorwaarden wordt niet enkel op het moment van de bouw gegarandeerd, maar ook bij latere verkoop.

 

 

Bijlagen

  • Advies Ruimte Vlaanderen
  • Advies GECORO
  • Advies mobiliteitsraad

 

Besluit

 

19 stemmen voor: Joël Vander Elst, Marc Morris, Greet Goossens, Jan Buysse, Tom Philips, Ludo Croonenberghs, Leonard Vranckx, Kristien Van Essche, Yvette Laes, Roos De Backer, Herman Ginis, Sonia Stiasteny, Joery Verhoeven, Jan De Keyzer, Joris Fonteyn, Ken Geyns, Karin Baudemprez, Roger De Muylder en Albert Mees

1 stem tegen: Wouter Fock

 

Motivatie stem tegen Wouter Fock: Het finale doel van het voorstel is goed. Deze regelgeving is echter niet de goede methode om deze te bereiken, omdat:

1 . Specifieke lokale problemen vragen om een correct parkeerbeleid op die specifieke plaatsen. Dit reglement gaat daaraan voorbij.

2 . De impact op de kostprijs van nieuwbouwwoningen zal beduidend zijn. Deze impact zal relatief groter zijn bij kleine percelen. Dit is een weinig sociale maatregel.

3 . Het risico op planschade is niet onderzocht. Bestaande woningen die niet aan de regels (kunnen) voldoen, zullen in waarde dalen.

 

Artikel 1:

Het onderstaande ontwerp van stedenbouwkundige verordening betreffende het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg wordt definitief vastgesteld.

 

Ontwerp van stedenbouwkundige verordening betreffende het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg

 

Artikel 1. Algemeen

De vergunninghouder moet het nodige aantal parkeerplaatsen en fietsenstallingen, zoals bepaald in deze verordening, aanleggen bij het optrekken van nieuwe gebouwen, het uitvoeren van bestemmingswijzigingen, het uitvoeren van herbouwingswerken, het uitvoeren van verbouwingswerken zoals bedoeld in artikel 4.2°, het opsplitsen van een woning of in een gebouw het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande wijzigen, voor zover deze wijzigingen vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn.

 

Artikel 2. Begrippen en definities

1° Aanleg van een parkeerplaats of fietsenstalling: Onder aanleg van een parkeerplaats of fietsenstalling wordt verstaan:

  • het bouwen van een nieuwe parkeerplaats of fietsenstalling
  • het in volle eigendom, in erfpacht of met recht van opstal (voor minimum 27 jaar) bezitten of verwerven van een bestaande parkeerplaats of fietsenstalling die voldoet aan de voorwaarden van deze verordening. De bestaande parkeerplaats of fietsenstalling mag niet al in aanmerking genomen zijn voor het verkrijgen van een andere vergunning waarbij deze verordening werd toegepast
  • het huren van een parkeerplaats of fietsenstalling voor een periode van minimum 27 jaar wordt eveneens aanvaard bij het oprichten van woonruimten (woning, appartement, studio) indien de parkeerplaats of fietsenstalling voldoet aan dezelfde voorwaarden als bij het verwerven van een bestaande parkeerplaats of fietsenstalling.

Indien na de periode van 27 jaar huur, erfpacht of recht van opstal de parkeerplaatsen nog niet in volle eigendom zijn gekomen dient deze periode verlengd te worden met opnieuw 27 jaar.

2° Bedrijfsoppervlakte: Onder bedrijfsoppervlakte wordt verstaan: de som van de grondoppervlakte, ingenomen voor bedrijfsdoeleinden in open lucht, en de vloeroppervlakte, gebruikt voor bedrijfsdoeleinden, in gesloten gebouwen. Deze laatste vloeroppervlakte wordt gemeten per bouwlaag met inbegrip van de buitenmuren.

3° Bouwperceel: Het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, binnen de bebouwingsmogelijkheden van het gewestplan, bijzonder plan van aanleg, ruimtelijk uitvoeringsplan of verkavelingsplan.

4° Eengezinswoning: Elk bebouwd onroerend goed dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van één gezin of één alleenstaande, en waarin zich geen andere woningen bevinden.

5° Fietsenstalling: Een open of overdekte ruimte, voldoende uitgerust (bv. Klemmen, rekken, een steunmuur) voor het stallen van een fiets die voldoet aan de bepalingen van artikel 10.

6° Functiewijziging: Het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed voor zover deze wijziging onderworpen is aan de vergunningsplicht.

7° Groepswoningbouw: Het gemeenschappelijk oprichten van woningen die een gemeenschappelijke werf hebben of fysisch of stedenbouwkundig met elkaar verbonden zijn.

8° Handelsruimte: Ruimte die in hoofdzaak gebruikt wordt voor het verkopen op gewone wijze, van goederen aan consumenten, zonder deze goederen een andere behandeling te doen ondergaan dan die welke in de handel gebruikelijk zijn.

9° Herbouwen: Een constructie volledig afbreken, of meer dan 40% van de buitenmuren van een constructie afbreken, en binnen het bestaande volume van de geheel of gedeeltelijk afgebroken constructies een nieuwe constructie bouwen.

10° Meergezinswoning: Een gebouw waarin twee of meerdere woongelegenheden gelegen zijn, met uitzondering van woon- en zorgcentra, assistentiewoningen, enz.

11° Parkeerplaats: Een ruimte waar één autovoertuig kan worden geparkeerd, meer bepaald een gesloten garage, een garagebox of carport of een standplaats in een gesloten ruimte of in de open lucht daartoe speciaal aangelegd en uitgerust en die voldoet aan de bepalingen van de artikelen 6 en 7 van deze verordening.

12° Assistentiewoning: Woongelegenheid met de mogelijkheid voor maximum twee bejaarde bewoners en/of bewoners met een handicap om beroep te doen op dienstverlening, en gelegen in een erkende groep van assistentiewoningen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012 betreffende de groepen van assistentiewoningen.

13° Sociale woning: Een sociale woning zoals bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en latere wijzigingen.

14° Studio: Woonentiteit met een maximale bewoonbare vloeroppervlakte van 45 m2 waarin alle leeffuncties geïntegreerd zijn in één ruimte, behoudens het sanitair voor eigen gebruik, dat eventueel voorzien is in een aangrenzende aparte ruimte.

15° Uitbreiden: Het bestaand vergund of vergund geacht volume van een gebouw vergroten waarbij de uitbreiding fysisch één geheel vormt met het oorspronkelijk gebouw.

16° Verbouwen: Aanpassingswerken doorvoeren binnen het bestaande bouwvolume van een constructie waarvan de buitenmuren voor ten minste 60% behouden worden.

17° Vergunning: Stedenbouwkundige vergunning zoals bepaald in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. (Of decreet omgevingsvergunning)

18° Vergunningsplichtige of meldingsplichtige werken: Handelingen zoals bepaald in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, meer bepaald Titel 4 - Hoofdstuk 2 - Afdeling 1. (Of decreet omgevingsvergunning)

19° Vloeroppervlakte: De vloeroppervlakte wordt berekend per bouwlaag, met inbegrip van de buitenmuren, met uitzondering van gemeenschappelijke traphallen, liften en technische ruimten, kelders, ondergrondse parkeergarages en overdekte buitenruimten. Vloeren onder het dak worden enkel meegerekend vanaf 1,80 m vrije hoogte begaanbare ruimte. Bijgebouwen worden niet meegerekend.

20° Woning / woongelegenheid: Elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande.

21° Zorgwonen: Een vorm van wonen waarbij voldaan is aan de voorwaarden zoals omschreven in de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening. (Of decreet omgevingsvergunning).

 

Artikel 3. Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Bertem. Wanneer voor een gebied binnen de gemeente een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan werd opgemaakt en deze andere normen opleggen, dan hebben deze voorrang op de bepalingen van deze verordening.

 

Artikel 4. Verplichting aanleg parkeerplaatsen en fietsenstallingen

De vergunninghouder is verplicht om het nodige aantal parkeerplaatsen en fietsenstallingen aan te leggen, zoals bepaald in deze verordening, en dit bij onderstaande vergunningsplichtige of meldingsplichtige werken:

1° Het bouwen of herbouwen van een gebouw

2° Het uitbreiden van een gebouw met meer dan 50 m² vloeroppervlakte.

3° Het opsplitsen van een gebouw of het wijzigen van het aantal woongelegenheden, tenzij het gaat om zorgwonen.

4° Het uitvoeren van een vergunningsplichtige functiewijziging van een bebouwd onroerend goed.

De verplichtingen voortkomend uit deze verordening maken blijvend deel uit van de vergunning. Dit betekent dat de parkeerplaatsen en fietsenstallingen, nodig om te voldoen aan deze verordening, steeds aanwezig moeten blijven, ook na overdracht van de zakelijke rechten van de eigendom, en dit tot zolang de inrichting blijft bestaan waarvoor ze gelden. Ze mogen geen andere bestemming krijgen of voor iets anders gebruikt worden.

 

Artikel 5. Minimaal aantal te realiseren parkeerplaatsen en fietsenstallingen

1° Indien een gebouw opgesplitst wordt en/of een functiewijziging wordt uitgevoerd, gelden de minimumaantallen zoals in dit artikel bepaald voor het gehele gebouw.

2° Bij uitbreiding van een woning zijn de normen van toepassing voor het gehele gebouw.

3° Indien een niet-residentiële functie wordt uitgebreid met meer dan 50 m², gelden de normen voor het gehele gebouw.

4° Indien in een gebouw meerdere functies aanwezig zijn, wordt het minimaal vereiste aantal parkeerplaatsen bepaald per functie aan de hand van de oppervlakte ingenomen per functie. De som van het minimum aantal per functie geeft het totaal aantal te realiseren parkeerplaatsen.

5° Indien in een gebouw wonen en andere functies aanwezig zijn mag het minimaal vereiste aantal parkeerplaatsen voor het wonen verminderd worden met het aantal parkeerplaatsen vereist voor de andere functies indien deze ook permanent opengesteld worden voor de bewoners.

6° De afmetingen en het aantal te voorziene parkeerplaatsen voor personen met een handicap moeten voldoen aan de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid van 05/06/2009 en latere wijzigingen.

7° In onderstaande bepalingen worden de normen voor het minimaal aantal te realiseren parkeerplaatsen weergegeven. Hierbij moet steeds naar boven worden afgerond. Een parkeerplaats mag aanvullend als berging gebruikt worden, mits parkeren te allen tijde mogelijk blijft.

a) Eengezinswoningen:

  • 2 parkeerplaatsen voor een woning van maximum 200 m²
  • 1 bijkomende parkeerplaats voor een woning groter dan 200 m²
  • minimum evenveel fietsenstallingen als aantal slaapkamers

b) Meergezinswoningen en groepswoningbouw, met uitzondering van studio’s:

  • woongelegenheid tot en met 200 m²:
    • 2 parkeerplaatsen per woongelegenheid
  • woongelegenheid > 200 m² :
    • 3 parkeerplaatsen per woongelegenheid
  • per begonnen schijf van 5 woongelegenheden is 1 bezoekersparking vereist
  • minimum fietsenstallingen:
    • evenveel fietsenstallingen als aantal slaapkamers

c) Studio’s:

  • 1 parkeerplaats per studio
  • minimum fietsenstallingen:
    • 2 fietsenstallingen per studio

d) Sociale woningen:

  • 1,5 parkeerplaats per woongelegenheid
  • minimum fietsenstallingen:
    • 2 fietsenstallingen per woongelegenheid

e) Assistentiewoningen:

  • 1 parkeerplaats per 3 assistentiewoningen, vermeerderd met 1 parkeerplaats per schijf van 10 assistentiewoningen
  • minimum fietsenstallingen:
    • 1 fietsenstalling per 5 assistentiewoningen

f) Warenhuizen/supermarkten:

  • 1 parkeerplaats en 1 fietsenstalling per 20 m² vloeroppervlakte

g) Winkel/handel - café's - kantoren - vrije beroepen:

  • 0 m² < 100 m²:
    • 3 parkeerplaatsen
  • > 100 m²:
    • 2 bijkomende parkeerplaatsen per begonnen schijf van 50 m²
  • minimum aantal fietsenstallingen:
    • 3 fietsenstallingen

h) Feestzalen, danszalen:

  • 1 parkeerplaats per begonnen schijf van 5 m² vloeroppervlakte
  • minimum fietsenstallingen:
    • 1 fietsenstalling per begonnen schijf van 5 m² vloeroppervlakte

i) Autoherstelplaatsen, garages:

  • 1 parkeerplaats per begonnen schijf van 25 m² bedrijfsoppervlakte

j) Kinderkribben:

  • 1 parkeerplaats en 1 fietsenstalling per begonnen schijf van 75 m²

 

Artikel 6. Locatie en inrichting van de parkeerplaatsen en fietsenstallingen

1° De te voorziene parkeerplaatsen en fietsenstallingen moeten worden aangelegd op het bouwperceel waarop het betreffende gebouw gelegen is. Autostaanplaatsen worden, waar dit technisch mogelijk en veilig is, bij voorkeur ondergronds aangelegd.

De fietsenstallingen moeten eenvoudig en veilig bereikbaar zijn vanaf de openbare weg en moeten bij voorkeur ingeplant worden op het gelijkvloerse niveau.

De aldus bestemde parkeerplaatsen kunnen geen andere bestemming krijgen zolang het hoofdgebouw niet op een andere wijze voldoet aan de opgelegde normen.

2° De parkeerplaatsen of fietsenstallingen moeten worden aangelegd op dat gedeelte van het bouwperceel dat, als gevolg van stedenbouwkundige of verkavelingsvoorschriften of de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, voor bebouwing of verharding in aanmerking komt.

De goede plaatselijke ruimtelijke ordening mag niet in het gedrang worden gebracht.

Het bouwproject moet aangepast worden met het oog op de vermindering van de parkeerbehoefte wanneer men niet voldoende parkeerplaatsen kan inrichten zonder de goede plaatselijke ruimtelijke ordening te schaden.

3° Parkeerplaatsen voor personen met een handicap moeten zich zo dicht mogelijk bij de toegankelijke ingang van de constructie of bij de voetgangersuitgang van de parkeervoorziening bevinden.

Het oppervlak van de parkeerplaats voor personen met een handicap mag niet meer dan twee procent hellen.

Bij dwarsparkeren bedraagt de breedte van de aangepaste parkeerplaats minstens 3,50 m, bij langsparkeren bedraagt de lengte van de aangepaste parkeerplaats minstens 6 m en bij schuinparkeren wordt binnen de aangepaste parkeerplaats een rechthoek van minstens 3,50 m op minstens 6 m gegarandeerd.

De gewestelijke verordening toegankelijkheid is hier van toepassing.

 

Artikel 7. Minimale afmetingen en kenmerken parkeerplaatsen

Om in aanmerking te komen als parkeerplaats dient voldaan te worden aan volgende bepalingen:

  • een garage, een garagebox of carport met de volgende minimumafmetingen:
    • 5,25 m lang, 2,75 m breed en een minimum vrije hoogte van 2,10 m
  • een standplaats (overdekt of in open lucht) daartoe speciaal aangelegd en uitgerust:
    • overdekt:
      • 5,00 m lang op 2,50 m breed en een vrije hoogte van 2,10 m
    • open lucht:
      • 5,50 m lang en 2,50 m breed.

De standplaats dient minimaal verhard te worden met grind, zodat ze niet verzakt.

Elke parkeerplaats dient afgebakend te worden met duurzame materialen. De parkeerplaatsen in open lucht dienen uitgevoerd te worden in waterdoorlatende materialen.

 

Artikel 8. Kenmerken en minimale breedte in- en uitrit naar parkeerplaatsen

Alle parkeerplaatsen moeten langs een gemeenschappelijke toegang op de openbare weg uitmonden, zonder dat ze daarbij bestaande parkeerplaatsen die gelegen zijn langs de gemeenschappelijke toegang isoleren. Dit is niet vereist voor parkeerplaatsen die bij dezelfde woning horen. Daar is het toegelaten dat één of meer auto’s moeten verplaatst worden om een parkeerplaats in te nemen of te verlaten.

De vereiste minimale breedte van de in- en uitrit is afhankelijk van de hoek tussen de parkeerplaats en de in- en uitrit:

  • Bij een hoek van 90°:
    • 6 m
  • Bij een hoek van 60°:
    • 5 m
  • Bij een hoek van 45°:
    • 4 m
  • Bij een hoek van 30°:
    • 3,5 m
  • Bij een hoek van 0°:
    • 3 m

 

Artikel 9. Hellende in- en uitritten

Conform de ministeriële omzendbrief van 10 september 1965 zijn er geen hellingen toegelaten in openbaar domein.

De maximale hellingsgraad van in- en uitritten wordt bepaald door de lengte van de hellingsbaan zoals aangegeven in onderstaande tabel:

 

Lengte hellingsbaan

Hellingspercentage

 

Aanbevolen

Maximaal

5 m

14%

16%

10 m

14%

16%

15 m

13%

15%

20 m

12%

14%

25 m

11%

13%

30 m

10%

12%

35 m

9%

11%

40 m

8%

10%

45 m

8%

10%

 

Hellingen moeten voldoende stroef zijn. Hellingsbanen zijn bij voorkeur recht, maar kunnen ook in ronde bochtvorm worden aangelegd. Bij sterk gekromde bochten moet rekening gehouden worden met voldoende doorzicht voor de bestuurder en met de breedte van de rijbaan.

Hellingen moeten een rijbaanbreedte van minimum 3 m tussen de kantstrepen hebben.

 

Artikel 10. Minimale afmetingen en kenmerken fietsenstallingen

De te voorziene fietsenstallingen moeten minimaal volgende afmetingen hebben:

  • 1,80 m tot 2.00 m lang, 0,75 m breed en 1,25 m hoog.

De fietsenstalling moet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf het openbaar domein, d.w.z. zonder door woon- of kantoorgedeelten te gaan. De vrije breedte van de toegangsweg tot de fietsenstalling moet minimum 0,90 m bedragen.

Standplaatsen in open lucht moeten verhard worden met waterdoorlatende materialen en voorzien worden van fietsparkeervoorzieningen die het veilig stallen van de fietsen toelaten.

 

Artikel 11. Bepalen van het aantal parkeerplaatsen en fietsenstallingen

Ten einde de omvang van de verplichtingen van deze verordening te kunnen bepalen wordt volgende procedure gevolgd:

1° Plannen

Op basis van de ingediende plannen van de aanvraag wordt berekend hoeveel parkeerplaatsen en fietsenstallingen er volgens de verordening moeten voorzien worden.

Op de grondplannen die bij de vergunningsaanvraag zijn gevoegd, worden de parkeerplaatsen en fietsenstallingen aangegeven met het aantal genummerde rechthoeken die voldoen aan de minimale afmetingen opgenomen in deze verordening. Tevens worden de toegangen met hun afmetingen duidelijk aangeduid.

2° Vergunning

Het aantal te voorziene parkeerplaatsen en fietsenstallingen wordt in de vergunning opgenomen.

3° Verkoop - verhuur

Eengezinswoningen, woongelegenheden in meergezinswoningen, studio's en sociale woningen, zoals bedoeld in artikel 5., 7°, a), b), c) en d) van deze verordening, en die vergund zijn na de inwerkingtreding van deze verordening, mogen niet verkocht of verhuurd worden zonder het vereiste en eraan verbonden aantal parkeerplaatsen en fietsenstallingen.

Voor een sociale woning, zoals bedoeld in artikel 5., 7°, d) van deze verordening, geldt hierbij een minimum van 1 parkeerplaats en 2 fietsenstallingen per woongelegenheid.

 

Artikel 12. Afwijkingen

Het college van burgemeester en schepenen wordt gemachtigd om, in uitzonderlijke omstandigheden, een afwijking toe te staan op de bepalingen van deze verordening.

Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten te maken hebben met de staat en de mogelijkheden van het bouwperceel en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Een afwijking moet uitvoerig worden gemotiveerd.

 

Artikel 13. Strafbepalingen

De overtredingen op deze verordening worden behandeld overeenkomstig de handhavingsmaatregelen bepaald in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (Decreet Omgevingsvergunning).

 

Artikel 2:

Deze definitief vastgestelde stedenbouwkundige verordening wordt voor goedkeuring overgemaakt aan de deputatie van Vlaams-Brabant.

 

 

 

Publicatiedatum: 20/02/2019
Overzicht punten

Zitting van 23 februari 2016

 

PATRIMONIUM. GOEDKEURING VOORWAARDEN VERKOOP GEMEENTELIJKE GEBOUWEN EN GRONDEN.

 

Voorgeschiedenis

  • Collegebesluit van 7 februari 2011 over het voorstel van lijst van verkoopbare bouwgronden en woningen.
  • Collegebespreking van 2 februari 2015 over de mogelijke scenario's voor verkoop Tulpenlaan 13, Dorpstraat 495 en Dorpstraat 551.
  • Collegebesluit van 1 juni 2015 over de aanstelling van Landmetingen Jonas Artois voor de opmaak van opmetingsplannen, afpalingsplannen, schattingsverslagen en een verkavelingsdossier.
  • Het schattingsverslag van 22 juni 2015, opgesteld door landmeter-expert Jonas Artois, met het oog op de verkoop van het perceel Tulpenlaan 13.
  • Het schattingsverslag van 22 juni 2015, opgesteld door landmeter-expert Jonas Artois, met het oog op de verkoop van het perceel Dorpstraat 495.
  • Het opmetingsplan van 25 juni 2015, opgesteld door landmeter-expert Jonas Artois, van het perceel hoek Dorpstraat-Vlieguit.
  • Collegebesluit van 31 augustus 2015 over de aanstelling van notaris Vangoetsenhoven voor de verkoop/verdeling van gronden Dorpstraat 495, Dorpstraat 551 en Tulpenlaan 13.
  • Het schattingsverslag van 7 december 2015, opgesteld door landmeter-expert Jonas Artois, met het oog op de verkoop van een gedeelte van het perceel (lot 1) hoek Dorpstraat-Vlieguit.
  • Het schattingsverslag van 7 december 2015, opgesteld door landmeter-expert Jonas Artois, met het oog op de verkoop van een gedeelte van het perceel (lot 2) hoek Dorpstraat-Vlieguit.
  • Collegebesluit van 8 februari 2016 waarbij kennis wordt genomen van de verkavelingsvergunning, verleend door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 28 januari 2016, over de verkaveling Dorpstraat zn/Vlieguit zn en met kadastrale gegevens 3de afdeling, sectie B, nummer 236D.

 

Feiten en context

  • Tulpenlaan 13
    • Perceel bouwgrond, 3de afdeling, sectie F, nummer 180B9.
    • Het perceel is gelegen in woonuitbreidingsgebied.
    • Het perceel heeft (volgens de kadastrale gegevens) een grootte van 6a 50ca.
    • Het recht van voorkoop is van toepassing.
    • De woning is gelegen in een verkaveling. Op 16 april 2008 werd een verkavelingswijziging goedgekeurd voor een herbestemming tot wonen en/of kantoorfunctie.
  • Dorpstraat 495
    • Perceel bouwgrond, 3de afdeling, sectie E, nummer 17M.
    • Het perceel is gelegen in woongebied.
    • Het perceel heeft (volgens de kadastrale gegevens) een grootte van 5a.
    • Het recht van voorkoop is van toepassing.
    • De woning is niet gelegen in een verkaveling.
  • Lot 1 hoek Dorpstraat-Vlieguit
    • Perceel bouwgrond, 3de afdeling, sectie B, nummer 236D (deel).
    • Het perceel is gelegen in woongebied.
    • Het perceel heeft volgens het verkavelingsplan een grootte van 4a 52ca.